vrijdag, juli 3, 2020

Wij Nederlanders

Er vindt verandering plaats in het Nederlandse gespreksruim. Het gebeurt zachtjes borrelend onder de jeugd, met hier en daar enige afgestompte uitschieters in de Eerste en Tweede Kamer. Ingrijpende voorstellen en gedurfde dromen kenmerken een beweging die men voor dood had gehouden. Die dat misschien ook wel was. Zelf acht ik mij ontevreden onderdeel van deze verandering. Ontevreden, maar niet wegens merkwaardige opmerkingen van boreale Fransen, noch het tenenkrommen van ongehoorde bejaarden. Nee, het ligt dieper dan de ongerijmde vertoningen van het hedendaagse. Wij missen iets.

Auteur: Wadvons

Het nieuwe rechts

In de laatste vijf tot tien jaren is er in het Westen een nieuw soort rechts ontstaan. Een rechts dat dieper poogt te gaan dan het louter antwoordende rechts van bijvoorbeeld Pim Fortuyn of Geert Wilders. Waar het oude rechts niet veel meer was dan een snelheidskeuring, probeert het nieuwe rechts zijn wortels in het verleden te leggen en daarmee een eigen toekomst in beeld te brengen. Een eigen droom om naar te streven, in tegenstelling tot een aanhoudende teleurstelling bestaande uit snelheidsovertredingen van andermans dromen.

Maar misschien is dit rechts zo nieuw niet. Zo duikt er schijnbaar om de enkele tientallen jaren door het hele Westen een ‘nieuw rechts’ op. Zoals bijvoorbeeld de ‘Nouvelle Droite’ uit Frankrijk, die binnen Europese kringen wellicht het bekendst is van de vele verzoeken om rechts een herstart te geven. Uit de huidige poging lijkt weinig nieuws te zijn ontstaan, en waar dat wel het geval is, krijgt het weinig draagvlak. Veel van het zogenaamde ‘nieuwe rechts’ valt dan ook met recht ouder dan de meeste stromingen te noemen.

Duidend voor het niet al te nieuwe rechts is het oog voor volksidentiteit, een afkeuring van de gemakzuchtige wegwerpmaatschappij, en het grondig willen aanpassen van het huidige staatslichaam.

Er is geen eenduidig antwoord te vinden over hoe de nieuwe maatschappij zich moet ordenen als het om handel en staat gaat. Het enige waar ieder volk het mee eens is, is dat het nu fout gaat. Maar een sterke onderbouwing van de identiteit van het volk als hoeksteen en uitgangspunt voor alles wat er na zal komen is hetzelfde, voor welk volk het dan ook moge gelden. En het is die zelfheid waar wij in de Nederlanden juist tegen iets raars aanlopen. Wat en waarom is Nederland?

Grenzen voor Volkeren

Mochten wij de schrijvers en opstandelingen uit de late 19e en vroege 20e eeuw geloven, bestaat het Nederlandse volk al sinds mensenheugenis als volk begrenst door de Duitsers in het oosten en Fransen in het zuiden. Laat het geschiedkundig nu wat moeilijker liggen dan wat de dromers van het verleden hebben opgeschreven. Ook toen al liepen Nederlanders de loop van andere landen na. Wij hebben namelijk nooit werkelijk een eigen Romantiek gehad, iets wat onder de andere volkeren werd gebruikt als beginsel voor hun nieuwerwetse stromingen. Deze tijdsspanne lijkt doorslaggevend te zijn geweest voor het vormen van het Europa zoals wij het nu kennen.

In Duitsland en Italië was toentertijd een eenwording gaande die zich liet berusten op de richtlijnen van de ‘natiestaat’, of volksstaat in goed Nederlands. Uit verschillende kleine koninkrijken en hertogdommen moest één staat gesmeed worden, die het gehele volk zou omvatten. Wat het volk nu nauwgezet was, of ten minste tot hoeverre de eenwording moest gaan, was niet altijd duidelijk.

Zo bestond er voor Italië een vraagstuk rondom het graafschap van Nice, wat vandaag in Frankrijk ligt. Daar zou vroeger Italiaans zijn geweest, wat door verfransing verloren zou zijn gegaan. Maar het aanleren van een andere taal maakt van een Italiaan nog geen Fransman, die zelfheid ligt dieper.

Dit afbakenvraagstuk hebben wij als Nederlanders niet mee hoeven te maken. Wij waren een staat voordat dit soort vragen ooit een belangrijke rol speelde. Nee, onze grenzen zijn bepaald door dat wat de Bourgondiërs wisten te vergaren en wat de Geuzen daarvan los wisten te rukken van de Spanjaarden.

Maar hoe zit het met de grenzen van ons volk? Onze staatsgrenzen zijn niet zoals sommige andere landen afgericht op ons volk, dus ons volk zal zich naar alle waarschijnlijkheid anders strekken dan onze staat. Allicht, zal het merendeel van rechts denken, de Vlamingen bestaan immers!

Klopt de vuistregel dan, dat alles wat Nederlands spreekt, ons volk vormt? Dit is wel waar wij de laatste twee eeuwen van zijn uitgegaan. Voor velen is het stellen van deze vraag dan ook niet boeiend, aangezien voor hen een taalgrens al grens genoeg is.

Toch opent het stellen van juist deze vraag de nieuwe denkwijzen die ons volk, hoe ver of nauw het zich ook moge strekken, de diepgang bieden die wij in het huidige Nederland missen. Daarom zal ik ook juist vanuit dit oogpunt onze geschiedenis bekijken. Om antwoord te kunnen geven op deze vraag moeten wij kijken naar hoe onze voorouders zichzelf zagen.

Over Volk en Lieden, Dietsers en Duitsers

Onze hedendaagse Nederlandse bevolking vloeit hoofdzakelijk voort uit de Germanen. De vele andere groepen die zich geschiedkundig voor het bloeien van het Germanendom bevonden hebben – naast wellicht enige woorden – weinig tastbaars aan ons door weten te geven.

Figuur 1 – De drie streektalen in de Lage
Landen

De vroege middeleeuwen waren voor Germanen onstuimige tijden vol met volksverhuizingen en stammenbonden. De oude orde van de Romeinen viel ineen en de Germanen wisten zich door heel Europa te verspreiden. Ook in de Lage Landen bleef geen stam rustig achter. Uit de onrust ontstonden in de Nederlanden drie stammenbonden die wij nu nog steeds herkennen; de Franken, de Saksen, en de Friezen. Deze stammen en hun nageslacht beslaan samen echter meer dan alleen het gebied dat vandaag de dag Nederlands spreekt. Elk van de drie stammen spreidt zich in het heden zelfs over de grenzen van drie of meer landen.

In de oude Germaanse tijd komen wij het woord ‘volk’ – wat toen *fulk? klonk – nog niet tegen in de vorm zoals wij het nu kennen. Vroeger betekende dat woord namelijk leger of groep. Voor woorden met ongeveer dezelfde strekking als hedendaags ‘volk’ kunnen wij wijzen op *leudiz, waar wij nu ‘lieden’ en ‘lui’ uit hebben ontwikkeld, en *þeud?, waar wij nu ‘Duits’ en ‘Diets’ van hebben gemaakt. Beide woorden werden niet alleen door de hele Lage Landen heen gebruikt, maar door het gehele Germaanse gebied op het vasteland. De laatste van de twee woorden, *þeud?, heeft de overhand gewonnen.

Figuur 2 – de Duitse streektalen

De meest opduikende en tevens eerste vondsten van de naam voor onze taal in de vroege middeleeuwen is dan ook een afleiding van dit woord, namelijk *þeudisk, wat zo veel betekent als ‘volkstaal’. Dit woord ontwikkelde zich door de eeuwen heen tot Nederfrankisch ‘Diets’ en Nedersaksisch ‘Duits’.

Belangrijk om te weten is dus dat Diets en Duits in wezen hetzelfde woord met dezelfde betekenis zijn. Beide vormen betekenden zowel ‘volks’ als ‘volkstaal’ en omvingen het gehele Germaanse gebied op het vasteland, van de Hollandse kust tot aan Koningsbergen in Pruisen, of de bergen in Tirol.

Uiteindelijk won Duits de strijd en verdween Diets rond 1400 grotendeels uit de volksmond. Dat er tegen het eind van de middeleeuwen redelijk grote verschillen waren tussen het Duits dat men in het noorden en het zuiden sprak, weerhield men er niet van om het als één taal te blijven zien. Er was namelijk geen harde taalgrens. De taal vloeide ongemerkt van noord tot zuid. Tevens werd het belangrijkste onderscheid gemaakt tussen het Germaanse Duitsland en het Waalse Frankrijk, dat al eeuwen een grensstrijd tegen het Duitse ruim voerde.

Een wijdere omvang van het woord ‘Duits’ dan bijvoorbeeld een enkele streektaal kan men onder meer opmaken uit de naam voor de taal in het Nederlands en het Latijn. Waar in het Nederlands de woorden ‘Duits’ of ‘Diets’ werden gebruikt voor de eigen taal, werden in het Latijn de woorden ‘Teutonicus’ en ‘Germanicus’ gebruikt1. Deze woorden maakten vroeger geen onderscheid tussen Hoog- of Nederduits en werden door beide gebieden gebruikt, in ieder geval tot aan de Gouden Eeuw. ‘Teutonicus’ kreeg echter in de loop van de Gouden Eeuw uiteindelijk iets meer betrekking op het Nederduits, maar werd nog steeds voor beide gebruikt. Rond dezelfde tijd kreeg het woord ‘Nederduits’ de bovenhand als naam1.

Nederduits aan de Noordzee

Dat de Germaanse landen ooit een hecht verkeer hadden is terug te vinden in de vele sagen en verhalen die zich afspelen in het vasteland – bijvoorbeeld Zeeland, Beieren, of het Frankenland – maar die toch hun weg in Scandinavische geschriften zoals de Edda’s hebben gevonden. Zo is het verhaal van Zegevrijt – dat zich afspeelt rond de Nederrijn en de Nederlandse kust – terug te vinden in alle Germaanse landen. De Edda’s hebben er de heldenliederen van Sigurd van gemaakt, terwijl Nederland en Duitsland er het Nevelingenlied uit hebben geschapen. Alhoewel het lied voor de Romantiek in Scandinavië en Duitsland onmisbaar was, zijn wij dit stuk geschiedenis als gevolg van onze afzondering vergeten.

De verschillende Germaanse taalgroepen zijn sinds de 5e eeuw gaandeweg uit elkaar gedreven. Maar de Duitse talen op het vasteland wisten een eenheid te behouden. Toen harde taalgrenzen met het Germaanse Denenmarken en het Waalse Frankrijk ontstoden, bleef er binnen het Duitse ruim geen dorp of stad die een aangrenzend dorp of stad niet kon verstaan. Dit wordt in de taalkunde ook wel het ‘continentaalwestgermaanse dialectcontinuüm’ genoemd.

Figuur 3 – de Hanze

Toch werd het na enkele eeuwen voor een gedreven reiziger uit de bergen gaandeweg moeilijk om het Duits aan de kust te kunnen verstaan. Helemaal uit elkaar gedreven waren de twee uitersten echter nog langer niet. Zo gebruikte dichters vaak een rijm die in het Neder- en het Opperduits kon werken, om zo voor het gehele Duitse volk te kunnen dichten. Een goed voorbeeld hiervan is Hendrik van Veldeke, de eerste volkstalige schrijver van de Lage Landen, die naast het hanteren van zo’n algemene rijm zelfs uiteindelijk voor zijn dichtkunst een mengeling schiep uit het Limburgs en het Hoogduits.

De Nederduitse streektalen wisten, desondanks net zo’n grote uitgestrektheid te bezitten als tussen de uiterste noordelijke en zuiderlijke punten, toch een eigenheid in stand te houden. Hier speelde de Hanze een belangrijke rol. Zeelui en handelaars, allen zonder goed begrip van het Latijn, richtten een verbond op dat zo sterk wist te groeien, dat het van het Nederduits een ‘lingua franca’ voor de Noord- en Oostzee wist te maken2. Zelfs voor Scandinavische landen was het Nederduits een belangrijke taal om te kennen. Het is hier dat de Lage Landen voor het eerst echt lieten zien waartoe ze als haven in stand waren.

Misschien net zo’n belangrijke rol voor het nauwe verband speelde de zogenaamde Oostkolonisatie, het verhuizen van Duitsers vanuit het overbevolkte westen naar het lichtbevolkte oosten. Hieraan deden de Lage Landen ook mee, zelfs in groten getale 3.

De vuistregel was dat men in rechte lijn van het westen naar het oosten verhuisde. Dit zorgde ervoor dat het noorden vooral Nederduits bleef spreken, en wel een Nederduits dat sterk leek op wat in de Lage Landen werd gesproken. Dit kan men terugzien in bijvoorbeeld plaatsnamen zoals Pruisisch Holland (nu Pas??k) en het gebied Teltow-Fläming nabij Berlijn, maar ook een latere streektaal zoals het Plautdietsch duidt op Nederlandse invloed. Onmisbaar als toevoeging voor dit onderwerp is het Vlaamse Oostlandlied, nu wellicht beter bekend onder de naam Oostland.

De eenheid van de noordduitse talen werd versterkt na het verspreiden van de boekdrukkunst. Men wilde zo veel mogelijk streektalen kunnen dekken met één boek. Hiervoor werd het Duitse ruim in tweeën gespleten en werden twee daktalen gesmeed: het nederlandtsch en het overlantsch 4. Nederlandtsch benodigt hier dus een overlandtsch, een begrip dat wij vandaag niet meer kennen.

Wat Begrenst een Gouden Eeuw?

Vijftig jaar nadat Luther zijn vijfennegentig stellingen aan de deur had genageld begon in de Lage Landen de tachtigjarige oorlog. Aan de begrenzing van deze opstand ging echter heel wat vooraf.

Figuur 4 – Herindeling van de Rijkskreitsen door de Habsburgers

De Bourgondische Nederlanden hadden in de voorgaande eeuwen onder de leiding van Franse hertogen het merendeel van de Lage Landen vergaart. Deze waren op hun beurt – op Frans Vlaanderen na – weer in de handen van de Habsburgers beland na de Vrede van Senlis. Na een eeuw van oorlogen tussen Gelderland en de Bourgondische Nederlanden verdween uiteindelijk ook het noordoosten van het land onder de Habsburgse heerschappij.

Meestal betekenden zulke machtsspelletjes niet meteen dat de verre huizen alles konden uitmaken. Zo deelden de Bourgondische gebieden bijvoorbeeld niet eens één kreits binnen het Heilige Roomse Rijk, wat er voor zorgde dat de gebieden onder verschillende rijkshofraden en rijkskamergerechten vielen.

Dit wisten de Habsburgers echter met het Verdrag van Augsburg te omzeilen. In dit verdrag werden Gelderland, Utrecht, Overijssel en Groningen uit het Nederlands-Westfaalse kreits overgedragen naar het Bourgondische. Met deze machtsgreep werden de Nederlanden in een voor ons herkenbare vorm verenigd. Tegelijkertijd werd het uitgebreide Bourgondische kreits onttrokken aan de macht van het rijkskamergerecht.

Hiermee hadden de Habsburgs het gebied als erfrecht vastgelegd en een ijzersterke machtspositie vergaard. Het Heilige Roomse Rijk als staat bleef op de achtergrond. In feite werden er alleen nog – overigens door het verdrag verhoogde – belastingen betaald aan het rijk, daarbuiten werd alles door de Habsburgers besloten.

De grenzen die deze herindeling afbakende zijn vormgevend geweest voor de Nederlanden zoals wij die vandaag de dag kennen. Zo heeft de beslissing van Karel V om uit krijgskundige overwegingen Oost-Friesland en Gulik niet in te lijven onze noordoostgrenzen voor goed bepaald.

Het is binnen deze grenzen dat de tachtigjarige oorlog gevochten is en de Republiek der Zeven Nederlanden in 1648 op een staats gehalte onafhankelijk werd van het Duitse rijk.

Een Gouden Eeuw

De tachtigjarige oorlog bracht een hoop teweeg in de Lage Landen. De vervolging van de Protestanten verplaatste het zwaartepunt van de Lage Landen van Antwerpen naar Amsterdam en bracht daarmee voorspoed en handel naar de jonge republiek. Het is deze eeuw die het meest wordt aangehaald als men over de geboorte van het Nederlands volk spreekt. Maar zagen Nederlanders zich toen al als een eigen volk? Welke woorden werden in de Gouden Eeuw gebruikt om het eigen volk te beschrijven?

Als beginpunt van de Gouden Eeuw kunnen wij op zijn vroegst het Plakkaat van Verlatinghe nemen. Het Plakkaat vewijst maar één keer met een bijvoegelijk naamwoord naar haar eigen bevolking, namelijk met ‘Duytsche’ als tegenstelling tot het uitheemse ‘Spaensche’. De Staten Generaal gebruikt ook in latere geschriften het woord Duits om het eigen volk of de eigen taal aan te duiden, bijvoorbeeld werd in de oproep om de statenvertaling te schrijven gesproken over “de oversettinge van den Bibel wte Hebreeuwsche in onse gemeene Duytse sprake” 6.

Van den Vondel, wiens toneelstukken overigens in 1745 probleemloos in Hamburg gespeeld konden worden, sprak ook over een Duitse taal, zoals wanneer hij in zijn “Aanleidinge ter Nederduitse Dichtkunst”7 de ‘basterdwoorden’ en het ‘onduits’ beklaagde dat langzaam het ‘Duits’ verloederde. Zelfs toen waren leenwoorden dus al een onuitgenodigde gast. Deze ongewenste woorden werden onder meer bestreden door de Vlaming Simon Stevin, wie wij kunnen bedanken voor prachtige woorden zoals ‘wiskunde’, ‘scheikunde’, ‘evenwijdig’, ‘loodrecht’, ‘evenaar’, en nog véél meer. Dankzij Stevin luidde er tot kort in onze universiteiten inheemse klanken waar in het buitenland alleen leenwoorden werden gebruikt. Zijn gedachtegang voor het wetenschappelijk weerbaar maken van onze taal beschrijft hij in ‘Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael’ 8.

Ook Erasmus schreef bekommerd over de toekomst van zijn ‘Duitsland’, waar burgeroorlog onvermeidelijk leek. In zijn maar al te vaak aangehaalde ‘Klacht van de Vrede’ beklaagde hij dat de Duitsers tegen de Spanjaarden streden. Dat Erasmus tegen alle vormen van oorlog en geweld was, is echter op zijn best een misverstand. Niets is namelijk minder waar. Hij kon het nut van oorlogen zoals de kruistochten wel begrijpen en pleitte zelfs voor een grote geboortegolf die nieuwe soldaten moest werven waarmee Europa een vuist kon ballen tegen de Turken 9.

Dat vormen van ‘Duits’ het gebruikelijkst waren om het eigen volk te beschrijven, betekende niet dat er geen besef was van een Nederland. Bijna al de genoemde bronnen spreken af en toe ook van een Nederlands naast het Duits/Nederduits. Waar Duits vooral het volk en de taal in een bredere zin beschreef, werd met Nederlands vaak iets bedoeld dat de Lage Landen of de republiek eigen was. Zo werd ook de taal wel eens Nederlands, Hollands, of Vlaams genoemd. Vooral de laatste was in de eigen streek lange tijd erg gebruikelijk1. Hollands en Vlaams werd soms zeer bewust gebruikt als benaming, omdat er toch enige verschillen waren tussen de twee streektalen.

Als er met Nederlands naar de taal werd verwezen, werd dat vaker in een engere zin gedaan. Neem bijvoorbeeld Joos Lambrecht, die schreef dat hij zijn Nederlands had gesmeed uit het Brabants, Vlaams, Hollands, Gelders, en Kleefs10. Een Nederduits daarentegen besloeg vaak ook het noorderlijkere Oversticht en Groningen, en het oosterlijke Westfalen en Pruisen.

Maar was de identiteit dan het enige overblijfsel van het Duits? Had de onafhankelijkheid die Nederland van een machtzuchtig huis gewonnen had het gebied afgezonderd? Was men sterker verbonden met het zuiden dan met het oosten, wat een breuk aan zou duiden?

De VOC wordt wellicht het vaakst aangehaald als hét teken van de Nederlandse ontplooing tot eigenheid. Zodra iets gekozen moet worden om de Nederlandse volksgeest af te beelden, worden er al snel Amsterdamse schilderijen uit de Gouden Eeuw naar voren gehaald, meestal met een schip van de VOC op de achtergrond. Was het de VOC die van een Nederduits land een Nederlands land maakte?

Als naar de bemanning van de schepen wordt gekeken, blijkt dat hiervan ongeveer 55% uit de Lage Landen kwam11. De rest van de bemanning kwam voornamelijk uit Duitsland en Scandinavië12. Belangrijk om op te merken is dat alhoewel er een zeer duidelijke zuidgrens bestond met het Waalse Frankrijk, er in het oosten nog geen schijn van een grens bestond. Zelfs tot in de 18e eeuw bleef dit voor de VOC het geval.

Maar ook de bevolkingsopbouw past bij een Nederland dat zich nog grotendeels in het Duitse rijk thuis voelde. Amsterdam wordt wel eens aangehaald als kleurrijke wereldstad waar nieuwkomers een groot deel van de bevolking uitmaakten. Vanuit een hedendaags oogpunt lijkt dat ook te kloppen, want 40% van de Amsterdamse bevolking was buiten de republiek geboren. Niet al te ver van de huidige stand van zaken, toch?

Het getal ligt rond de 35% als Vlamingen niet als uitheems worden gezien, wat dichter bij de omschrijving van het Nederlandse volk ligt als hedendaagse nationalisten gevraagd zouden worden. Nog steeds is dat een aanzienlijk deel van de bevolking, maar dit getal krimpt op zijn beurt tot de 12% als ook Duitsers onder het volk worden geschaard. Van de overige 12% ‘uitheemsen’ blijkt weer 90% Scandinaviër te zijn. De migrantenstad Amsterdam was dus nagenoeg uitsluitend Germaans12! Het laatste overblijvende deel, ongeveer 1 tot 2 procent, is weer een mengelmoes van Britten en Fransen. Ook laat dit zien dat de band met Scandinavië ook na de Hanze hecht was gebleven. Zo was ongeveer 24% van de zeelui in Amsterdam van Scandinavische herkomst12. In Scandinavische steden kon man tevens ook overwegend Nederlands en Duitse migranten vinden.

Ook op het handelsgebied bleef volgens de Nederlandse economist A.M. Klemann het Duitse rijk de belangrijkste handelsvennoot, maar dat is het sinds mensenheugenis dan ook altijd zo geweest, zelfs vandaag nog.

Dit duidt allemaal op een sterk voortbestaan van een blijvend verband tussen het volk in de Lage Landen en de rest van de Duitse volkeren. Het jonge Nederland bleef in de Gouden Eeuw een Duits land met nauwe verbanden met haar Germaanse broedervolkeren.

Grensmark tot zeemacht

Eeuwenlang dienden de Lage Landen als een van de grensmarken van het Duitse volk. Sinds het vestigen van de Franken in het zuiden kruipt onze taal- en volksgrens met de Fransen gestaag naar het noorden. Ooit sprak men tot voorbij de Zoom het Nederduits, maar vandaag is het Nederlands zelfs in Duinkerken nog amper te vinden. Het was aan de Lage Landen om als mark de taal te verdedigen.

Welbewapend als zeemogendheid door een lange strijd tegen de Spanjaarden zocht de republiek de open zeeën op en verried daarmee tegelijkertijd grotendeels de taak als grensmark. Vlaanderen werd achtergelaten om deze oeroude strijd alleen voort te zetten. Wat zo vanzelfsprekend lijkt als grondlegging van onze hedendaagse Nederlandse identiteit is dan ook juist een tegenslag geweest voor het Nederlandse, mits Vlaanderen daar nog toe gerekend wordt. De oude grensmark had een reusachtige nieuwe taak op zich genomen, die – hoe passend ook bij Nederland’s ligging en wezen – veel te groot was gebleken. De jonge republiek had een prachtige mogelijkheid gevonden om het wereldtoneel toe te treden toen de grote machten een stap terug deden, maar wist deze plaats niet te behouden bij hun wederkeer. Te klein en te zwak om de eerste grote tegenslag te weerstaan, verviel ons land de opvolgenden eeuwen in de geschiedkundige vergetelheid. Eeuwen vol onnodige verfransing en verengelsing volgden deze nederlaag.

Zonder steun van het Duitse achterland kon Nederland niet veel beginnen tegen grootmachten als Engeland, Frankrijk, of Spanje. Met het vertrek van de belangrijkste haven uit het Duitse ruim verloren Nederland én Duitsland de toegang tot de wereld die wijdopen had gestaan mits ze als één staatsorgaan samengebleven waren. Als een geheel waren voor de Lage Landen de taken als grensmark en als zeemogendheid nooit te groot geweest.

Van Nederduits naar Nederlands

Hoewel nog ijzersterk tijdens de gouden eeuw, verviel de band tussen Nederland en het Duitse achterland in de opvolgende eeuwen toch. Met de komst van de Renaissance werden staten steeds invloedrijker. Door het invoeren van algemene scholing verdwenen de streektalen langzaam op de achtergrond en konden buurtdorpen elkaar niet meer verstaan. Tevens werd het woord ‘Nederduits’ door het hedendaagse ‘Nederlands’ vervangen in de late 18e en vroege 19e eeuw, waarschijnlijk om verwarring met de andere – steeds meer verschillende – Noord-Duitse talen te voorkomen. Het was namelijk toen dat het Hoogduits de streektalen in het noorden verdreef, waardoor een taal die zijn klank bij de bergen ontwikkelde opeens ook tot aan het Noordzeestrand te horen was.

Het verdwijnen van de verbindingen tussen de Nederlanden het Duitse achterland ging gepaard met het ontwikkelen van een eigen identiteit steunend op de staatsgrenzen en de taalgrenzen van het Algemeen Nederlands. Een bepaalde zelfheid ontstond vanzelf binnen de grenzen van een steeds sneller verbonden, maar steeds kleiner ingeperkt land.

Helemaal verdwenen was het bewustzijn deel te maken van een Duits volk echter nog niet tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het woord ‘Nederduits’ bleef in ieder geval tot het begin van de 20e eeuw, vooral in Vlaanderen, nog in gestaag gebruik. Ook volkskundigen erkenden de oeroude band tussen het Germaanse vasteland nog. Zo werd binnen de vooroorlogse volkskunde aan de hand van verschillende stijlen van kledij, boerderijen, sages en volksgebruiken als algemene waarheid vastgesteld dat de volksgrenzen zich in Noord Frankrijk en Polen bevonden, maar niet dichterbij 13.

Dit bewustzijn was vaak louter nog academisch of geschiedkundig, maar ook onder bijvoorbeeld politici bleef de herinnering aan het verleden hangen. Zo zei Thorbecke eens:

“Wij zijn een lid van germaansch Europa maar met vrijheid ; een lid, dat niet alleen beweging ontvangt, maar ook van zijne zijde geeft. Indien wij onze individualiteit trachten te ontwikkelen buiten verband, of zelfs in krijg met de Duitsche geest, miskennen wij den grondaanleg van onze nationaliteit en de machtigste hulp van ons vermogen. 14”

Alhoewel Thorbecke zeker niet meer dacht dat Duitsers en Nederlanders één volk waren, had hij wel enig begrip van een jongere gemeenschappelijke oorsprong. Dit is dan ook kenmerkend voor hoe men het verband met Duitsland zag in de late 19e eeuw.

Na de Tweede Wereldoorlog hadden Nederlanders het liefst zo weinig mogelijk met hun Duitse verleden te maken en werd het dan ook snel verdoezeld in de geschiedenisboeken. De geschiedenisboeken lijken sindsdien de eeuwen tussen de oude Germanen en de Gouden Eeuw haast over te willen slaan. Veel is er niet meer over van ons vroegere volksbewustzijn. Er kan met gemak gezegd worden dat de hedendaagse Nederlandse identiteit zoals hij onder het gros van het volk leeft weinig te maken heeft met onze oosterburen.

Duits richting Nederlands

Het duitsdom van Nederland leefde ietwat langer in de gesprekswereld van het Duitse achterland dan in de Nederlanden zelf. De Romantiek bracht vele Duitse dichters en denkers tot het peinzen over wat Duitsdom inhield. De droom om één Duitsland te stichten dat het gehele Duitse rijk omvatte kwam al snel in verschillende ‘Burschenschaften’ vooraan te staan, waarna het snel een wijdgedeeld droombeeld werd. Dat Nederland nog een onderdeel van de strekking van het Duitse rijk uitmaakte, blijkt uit monumenten zoals het Walhalla in Donaustauf, wat boordevol bustes van belangrijke Duitsers staat. Meer dan één in de tien bustes die er staan is van iemand uit de Lage Landen, waaronder vele schilders, strijdshelden en wetenschappers. Ook de woorden van de voornaamste voorvechters van dit droombeeld vertellen ons dat de Nederlanden voor onze oosterburen nog altijd deel uitmaakten van de Duitse wereld. Vaak was de belangstelling voor Nederland als streek zelfs zo groot dat hele boeken of taalkundige onderzoeken eraan gewijd werden.

De schrijver van het Duitse volkslied, Hoffman von Fallersleben, is bijvoorbeeld naast alduits dichter tevens een van de grondleggers van de huidige Neerlandistiek aan te noemen. Hij verzamelde Nederlandstalige gedichten en liederen uit de late middeleeuwen toen er in Nederland zelf nog weinig aandacht of belangstelling voor was. Een duidend voorbeeld van hoe zijn vroege pogingen op dove oren vielen is een aanhaling uit zijn boek Altniederländische Lieder 15:

“Op een dag was ik in een groot gezelschap van jonge knappe meisjes gevraagd om wat te zingen. Ik zong toen Duitse liederen, wat iedereen vervreugde. Maar zodra ik het schone Oudnederlandse lied ‘Het waren twee coningheskinder’ aanstemde, begon ieder te lachen. Ik zong niet verder, maar zei zo goed ik kon in het Hollands: “Ik neem van de schone vrouwen geen kwaad, maar ik denk dat jullie het eigen land en zijn schone poëtische geschiedenis wat meer in ere moeten houden.” Die dag zong ik niet meer.”

Ook de gebroeders Grimm hadden een grote belangstelling voor Nederland en de Nederlandse taal. Jacob Grimm wijdde aandacht aan de Nederlanders in onder meer zijn boek ‘Geschichte der deutschen Sprache’, waar hij de Nederlanders nog immer Nederduitsers noemde. Ook zag hij een wederkeer van Nederland tot het Duitse rijk als bevordelijk en zelfs onvermijdbaar 16.

Net zoals Hoffman von Fallersleben was ook de schrijver van ‘Was ist des deutschen Vaterland?’, Ernst M. Arndt, druk bezig met het duitsdom van de Nederlanden. Zo schreef hij het boek ‘Die Niederlande und die Rheinlande’, waar hij zelfs vroeg “zijn zij niet Duitser dan ons Duitsers17?” Ook de schrijver van ‘Die Wacht am Rhein’ was op dat gebied een aanhanger van Arndt.

In dezelfde trend valt ook nog het Alduitse Verband te noemen, dat het boek “Die alldeutsche Bewegung und die Niederlande” uitbracht, waar het een aansluiting van Nederland bij het Duitse rijk bevorderde. Zo werd er geschreven: “Zij zullen Nederlands sprekende Nederlanders blijven en tegelijk Nederduits sprekende Duitsers zijn!”18

Dat Nederland niet helemaal meespeelde met de Duitse eenwording van 1872 heeft meer te doen met Nederlandse onverschilligheid tegenover Romantiek en het reeds bestaan van een onafhankelijke Nederlandse staat, dan met een onoverkoombare tweedeling. Toch kwam het vraagstuk wel aan bod, juist bij de vorming van deze onafhankelijke staat.

De Duitse Bond en Nederland

Op het congres van Wenen werd de herindeling van Europa besloten. De toekomstige Nederlandse koning Willem I had een gezant naar het congres gestuurd met de boodschap dat hij graag met de Lage Landen – Kleef en omringende gebieden inbegrepen – een Duitse Bond toe zou treden als Bourgondisch Kreits19. Hiermee wilde hij één van de belangrijke Duitse landen worden, naast Pruisen en Oostenrijk. Tevens wilde zijn gezant de belangen van het ‘derde Duitsland’ verdedigen, de landen die niet bij Pruisen en Oostenrijk hoorden 20.

Deze eis viel echter niet in smaak bij het congres. Alhoewel de Noord-duitsers grote voorstanders waren, vonden de Britten en de Oostenrijkers dat een Duitse Bond als zeemogendheid veel te sterk zou worden. Na veel onderhandelen wisten de twee grootmachten de gezant van Willem I toch te overtuigen. Nederland werd geen onderdeel van de Duitse Bond, maar kreeg in ruil de uitbreiding van het gebied rond de Maas, de Roer, Limburg en Luxemburg.

Toen Willem I te horen kreeg dat zijn Verenigde Nederlanden wel deze gebieden kregen, maar dat het nieuwe land niet zijn stamlanden in het oosten bevatte of onderdeel uitmaakte van de Duitse Bond, was hij woest19. Ook de Pruisenaren waren niet blij met deze gang van zaken. Zo werd de gezant beschuldigd dat hij te druk bezig was met ‘bataviseren’ en het ‘germaniseren’ vergat.

Om het goed te maken verzocht de gezant in juli van 1815, na de sluitende nederlaag van Napoleon bij Waterloo, enige nieuwe gebieden voor de Verenigde Nederlanden te winnen. Het gedurftste bod werd gedaan op Elzas-Lotharingen. Alhoewel door Pruisen ondersteund, werd dit bod al snel afgeslagen, opnieuw door de Britten. Wel wist Nederland nog acht Belgische kantons te verzamelen, alsook enige door Napoleon geroofde kunstwerken. Helemaal tevreden was Willem I niet. Graag had hij zijn Nederland als machtig Bourgondisch Kreits deel uit zien maken van een Duitse Bond.

Uiteindelijk werden de Verenigde Nederlanden enkel door Luxemburg en Limburg met de Duitse Bond verbonden. Deze band met de Duitse Bond was voor Limburg niets nieuws, aangezien het samen met de rest van de Oostenrijkse Nederlanden tot kort nog deel van het Heilige Roomse Rijk was. Naast dat het oorspronkelijk geen onderdeel van het beminde Bourgondische Kreits van Willem I was, werd Limburg zelfs gezien als lastenpost voor Nederland. Bepaalde stemmen uit de Nederlandse regering waren Limburg liever kwijt dan rijk, maar in 1866 viel de Duitse Bond en trad Limburg volledig toe tot Nederland. In de tussentijd woedde de Romantiek en de politiek, wat voor de geboorte van een vroege versie van onze hedendaagse Nederlandse identiteit zorgde. Het merendeel van de Duitse beweging richtte zich daarom uiteindelijk op haalbaardere doelen, waarmee de Lage Landen, Oostenrijk, en Zwitserland alleen werden gelaten. Nederland zag zichzelf sindsdien niet meer als Duits.

Toekomst uit verleden

Om een daadwerkelijke volkseigen toekomst te scheppen die onze huidige problemen voorbij streeft, moeten wij onze wortels zo diep mogelijk leggen. Des te diepgaander en vollediger ons besef van ons verleden, des te duidelijker het pad voor onze verdere toekomst wordt. De wortels die wij vinden wijzen onmiskenbaar naar een wijdere identiteit dan wat vandaag de dag leeft. Ons volk is niet anderhalve eeuw oud, maar kan oprecht oeroud genoemd worden. De geschiedenis – met name het naoorlogse Nederland – heeft echter enige poging tot hechting met ons Nederduits verleden zeer moeilijk gemaakt. In de laatste honderd jaar is er daadwerkelijk een eigen identiteit ontstaan in Nederland. Korter geleden dan zoals de dromers van de 20e eeuw het verkondigden, maar onbetwist in haar hedendaagse omvang. De banden met het Duitse achterland zijn grotendeels verdwenen door het ontstaan van de daktalen en het opzettelijk vergeten van de eigen geschiedenis. Dit zet het vraagstuk van onze wijdere identiteit voor het moment nog even op de achtergrond. Toch kunnen wij deze geschiedenis niet verloochenen als wij met ernst een grondlegging willen bouwen voor de toekomst. Een grondlegging waaruit wij iets blijvends en prachtigs willen laten groeien.

De algemene Nederlandse identiteit zoals wij die nu kennen is verworven door willekeur, imperialistische hoogmoed en naoorlogse onzin. Zelfs onder nationalisten komt men tegenwoordig helaas niet veel verder dan louter op te merken dat men ook in Vlaanderen het Standaardnederlands spreekt. Buiten die kringen is het nog droeviger. Uit steekpoeven blijkt dat de hedendaagse Nederlander zich het best beschreven voelt door zijn taal, burgerlijke vrijheden, landelijke feestdagen, liberale waarden, en fietsen. De eigen geschiedenis of afstamming speelt bijna geen rol.

Maar wij zijn meer dan nederlandstalige wereldburgers, meer dan de winstjagende stichters van de eerste ‘multinational’, en meer dan een klein volkje in een hoekje dat soms tweede wordt met voetbal. Wij stammen af van een volk dat eens geheel Europa wist te bedwingen, dat nog steeds oeroude sages en gebruiken bezit, en dat met haar deugden ooit ‘s werelds volkeren begeesterde.

Daarom moeten wij meer willen worden dan een klein kikkerlandje met een grote handelspoort. Als wij de banden met de Germaanse wereld doen herleven kunnen wij tesamen een ruim vormen dat op alle gebieden onafhankelijk kan zijn. Samen met onze Germaanse broedervolkeren binden wij ons dan los van Amerika en de dreigementen van Rusland. Sterk genoeg om op eigen been te kunnen staan en een eigen weg te kunnen banen, doch hecht genoeg om voor alle delen ontplooiing en niet vervreemding te kunnen bevorderen. Waar een Nederland te klein is om de benodigde macht op te hoesten, is een Europa te groot om zelfheid te kunnen behouden. Voor het heden staan wellicht dringendereu gevaren te dreigen, maar het zou een zonde zijn als wij niet verder konden kijken dan partijpolitiek en massawerving. Mocht er in de komende eeuwen iets overblijven waar wij onze rijke geschiedenis aan kunnen navertellen, zullen wij het moeten zijn die daarvoor zorgen. Daarom is het aan ons om de eigen geschiedenis te verkennen, onze sagen en verhalen te lezen, en de eigen stamboom uit te tekenen. Opdat ons nageslacht niet in dezelfde ontheemde wereld op hoeft te groeien als ons. Rijmen wij ons Nederduits verleden met ons Nederlands heden, dan kan onze toekomst alleen maar Germaans zijn.

Verwijzingen:

1) F. Claes (1970), De benaming van onze taal in woordenboeken en andere vertaalwerken uit de zestiende eeuw. Tijdschrijft voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 86

2) E. Sproston (2002), The Influence of Middle Low German on the Scandinavian Languages

3) E. Bünz (2008), Die Rolle der Niederländer in der Ostsiedlung p.95-142

4) G.A.R. de Smet (1973), Die Bezeichnungen der niederländischen Sprache im Laufe ihrer Geschichte

5) (1581) Plakkaat van Verlatinghe

6) F.L. Zwaan (1939), Uit de geschiedenis der Nederlandsche spraakkunst p.48

7) J. van den Vondel (1650), Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunst

8) S. Stevin (1586), De beghinselen der Weeghconst: Uytspraeck vande Weerdicheyt der Duytsche Tael

9) H.J. van Dam (2004), Desiderius Erasmus – Lof en Blaam, Lof van het huwelijk

10) J. Lambrecht (1550), Nederlandsche spellijnghe, uutghesteld by vraghe ende antwoorde, p.4

11) Gegevens gebaseerd op data vergaard uit het Nationaal Archief VOC Opvarenden. Afgebeeld door Jelle van Lottum.

12) J. van Lottum (2007), Across the North Sea. The impact of the Dutch Republic on international labour migration, c. 1550-1850 p.65, p.68

13) B. Henkes & B Rzoska (2003), Volkskunde en Grootgermaanse cultuurpolitiek in Vlaanderen, 1934-1944 p.1, voorwoord

14) J.A. Levy (1876), Johan Rudolph Thorbecke, p.30

15) A.H. Hoffman von Fallersleben (1852), Altniederländische Lieder

16) J. Grimm (1848), Geschichte der deutschen Sprache, p.581

17) E.M. Arndt (1831), Die Frage über die Niederlande und die Rheinlande, p.14

18) F. Bley (1897), Die alldeutsche Bewegung und die Niederlande

19) B. de Graaf (2013), Hans Cristoph von Gagern bij het Congres van Wenen. Historisch Nieuwsblad nummer 9

20) I. Nieuwland (1995). Nederland en Pruisen na de val van Napoleon 1813-1822, p.65

Overige leesaanbevelingen:

J.C. Boogman (1955), Nederland en de Duitse Bond 1815-1851
J. Bracker (1999), Die Hanse: Lebenwirklichkeit und Mythos
V. Georg (1998), Das Verhältnis der Niederdeutschen Bewegung zur flämischen und niederländischen Sprache und Kultur
J. Schrijnen (1930), Nederlandsche Volkskunde
H. Wilken (2002), De Hamburgse Rembrandtprijs voor Vlaanderen en Nederland


Dit artikel is onderdeel van de bundel De Dietse Bazuin

LEES OOK:

Laatste

Recent

Willekeurig

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here

Recente Reacties

Urban Moving Systems on Bibliotheek